
Samuel Marek Anstadt - roepnaam Milo - werd geboren op 10 juli 1920 in Lwow (Lemberg), indertijd Polen. Hij is de zoon van Karol Anstadt (kunstschilder) en Regina Anstadt-Wegsmann, een liberaal joods-gezind echtpaar met vooral van moederszijde een sterke neiging tot assimilatie. De voertaal in het gezin was Pools.
Hij is in 1930 met zijn ouders en de jongere zuster Sera naar Nederland geëmigreerd (economische vluchtelingen). Vader en moeder hadden in Amsterdam grote moeite het gezin te onderhouden. Milo Anstadt voltooide de lagere school, maar de middelen om een middelbare schoolopleiding te volgen ontbraken. Op zijn 14de ging Milo werken bij de Transformatorfabriek Besra in Amsterdam. Zijn verdere geestelijke ontwikkeling kreeg hij in eerste instantie in twee jeugdverenigingen voor emigranten: de Oostjoodse vereniging ANSKI en de vereniging van Duitse vluchtelingen HEIM. Dank zij enkele toegewijde mentoren zag Anstadt kans als autodidact het gemis van vervolgopleidingen te compenseren. Later ging hij op basis van een cologium doctum rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde af als meester in de rechten en specialiseert zich in de criminologie.
De genoemde verenigingen stonden sterk onder invloed van communistische organisaties en zo kwam Anstadt in aanraking met de politiek. De jongeren werden georganiseerd in een antifascistisch front, kregen les in het marxisme en voerden opdrachten uit voor voornamelijk Duitse vluchtelingen en anderzijds de Internationale Brigade die tegen Franco streed.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Anstadt ingeschakeld in het verzetswerk van de Communistische Partij. In 1941 trouwde hij met Lydia Bleiberg en in maart 1942 kregen zij een dochter. In juli 1942 doken de ouders onder, de dochter kwam bij een pleeggezin in Beverwijk.
Als onderduiker zette Anstadt zijn verzetswerk voort. Het bestond voornamelijk uit het vervalsen van persoonsbewijzen en andere documenten. Daarnaast wijdde Anstadt tijd aan studie wat tot gevolg had dat hij zijn marxistische 'geloof' verliest. De Communistische Partij brak met hem, maar inmiddels had Anstadt contact met andere verzetsgroepen, waartoe o.a. Joop den Uyl behoorde. Dit leidde sinds 1944 tot een hechte vriendschap tussen Anstadt en Den Uyl. Na de oorlog trok Den Uyl, al spoedig adjunct-hoofdredacteur van
Vrij Nederland, Anstadt aan als redacteur-verslaggever. In de naoorlogse periode schreef Anstadt ook hoorspelen voor de VARA die door de bekende regisseur S. de Vries voor de microfoon werden gebracht. In 1951 stapte hij over naar de Radio-Nieuwsdienst in de functie van chef-redacteur.
In 1953 werd Anstadt genaturaliseerd tot Nederlander, met medewerking van de Stichting '40-'45. In 1955 werd hij door de VARA aangetrokken als televisieregisseur voor documentaire programma's. Een aantal van zijn programmaseries werd bekroond. In 1960 kreeg hij de Televisieprijs van de Prins Bernhard Stichting voor de programma's
'De Bezetting' en
'Spiegel der Kunsten'. In 1968 kreeg hij de ANWB-prijs voor zijn serie over Oost-Europa.
In 1960 kreeg hij het verzoek van Uitgeverij Wereldvenster een boek te schrijven over Polen. Het verscheen in 1962 onder de titel
Polen, land, volk, cultuur.
Sindsdien verschenen
Op zoek naar een mentaliteit,
Met de rede der wanhoop,
Kind in Polen,
Polen en Joden,
Jonge jaren,
De verdachte oorboog,
Servië en het Westen, en de romans
De opdracht,
Niets gaat voorbij en
De wankele rechtsgang van Albert Kranenburg. Zeven van zijn boeken verschenen bij Uitgeverij Contact.
Als medewerker van
NRC Handelsblad schreef Anstadt een groot aantal opiniërende artikelen. In 1994 werd hij benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau.
Op 16 juli 2011 overleed Milo Anstadt te Amsterdam.