Vind een auteur

Zoek op naam

Hella S. Haasse

Maar liefst drie Boekenweekgeschenken schreef Hella Haasse: een Nederlands record dat aangeeft hoezeer zij een eenpersoonsbrug vormt tussen literatuur en lezers. Met haar eerste geschenk, Oeroeg uit 1948, werd zij de lieveling van middelbare scholieren en andere beginnende literaire lezers. Maar ook in haar andere werk streeft zij naar bruggenbouwen: tussen Indië en Nederland, tussen geschiedenis en persoonlijke levens en tussen fictie en non-fictie. "Als je de kranten en weekbladen leest en televisie kijkt, merk je om hoe weinig dimensies het gaat. Alles gaat snel, er is weinig synthese, de noodzaak om de dingen in een groter verband te beschouwen, wordt niet gezien. Daar heb ik juist behoefte aan. Als je meer dimensies herkent, krijg je een rijker geschakeerd en interessanter beeld van de werkelijkheid."

Hella Haasse wordt als Hélène Serafia Haasse in 1918 geboren in Batavia, de hoofdstad van het toenmalig Nederlands-Indië. Haar ouders zijn de concertpianiste Katharina Diehm Winzenhöhler en de ambtenaar Willem Hendrik Haasse die in Nederlandsch-Indië de belastingontduiking bestrijdt. Haar vader schrijft detectives onder het pseudoniem W.H. van Eemlandt. Haasse heeft het laatste boek van haar vader in 1957 vervolmaakt.

De familie verhuist naar Soerabaja, waar Hella naar een katholieke lagere school gaat. De nonnenperiode wordt onderbroken als ze in 1924 met haar zieke moeder meereist naar Europa. In 1928 keren ze terug en verhuizen naar Batavia, waar Hella naar het lyceum gaat. Op de middelbare school leert ze de Nederlandse literatuur kennen en raakt ze gefascineerd door de dichters Slauerhoff en Roland Holst. Na het eindexamen in 1938 vertrekt ze naar Nederland om aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam Scandinavische Talen en Letteren te gaan studeren. De bedoeling is dat het gezin in 1940 in Nederland herenigd zal worden, maar ouders worden tijdens de Japanse bezetting van Nederlandsch-Indië geïnterneerd. In een interview met Het Parool vertelt Haasse over deze tijd: "Het is voor een kind zo een betoverende wereld, ik ging er ook geheel in op. Het contact met mijn ouders was wel goed, maar niet heel erg warm. Dat is iets wat ik me veel later pas realiseerde. Als jong kind ben ik lang van ze gescheiden geweest. En door de oorlog heb ik ze zo tussen m'n twintigste en achtentwintigste niet gezien. En in zo'n periode van je leven zijn dat dingen die je niet meer inhaalt."

Pas in 1946 zien de ouders van Haasse hun dochter in Nederland terug. Die is inmiddels getrouwd met Jan van Lelyveld, heeft haar studie beëindigd, eindexamen gedaan aan de Toneelschool in Amsterdam en is toneelspeelster en tekstschrijfster geworden. Bovendien heeft Hella een dochter, die in april 1947 zal overlijden. (Na haar worden nog twee dochters geboren.) Hoewel ze na haar huwelijk niet meer toneelspeelt blijft ze schrijven, onder andere voor het cabaret van Wim Sonneveld. Verder vertaalt ze middeleeuwse verhalende gedichten die als Balladen en legenden verschijnen. Ze debuteert in 1945 met de gedichtenbundel Stroomversnelling, "een typisch soort van gedichten die je toen, op die leeftijd, schreef" zoals ze er later over zal oordelen.

Twee jaar later schrijft Haasse de novelle Oeroeg die door het CPNB wordt uitgekozen als Boekenweekgeschenk 1948. Het boek verschijnt in 1948 zonder naam: de lezers mogen raden wie de auteur is. De novelle wordt aanvankelijk redelijk toegejuicht, maar zal gaandeweg een tweede leven gaan leiden als Tempo Doeloe-boek over het Indië dat voorgoed verdwenen is. Vooral middelbare scholieren kunnen het makkelijk leesbare, goed geschreven boek over de vriendschap tussen een Nederlandse en Indische jongen die elkaar weer tegenkomen in de verwarrende oorlogstijden, zeer waarderen. Haasse: "Veel later heb ik gedacht dat het feit dat ik zo gehecht was aan die Indische natuur daarmee te maken heeft gehad. Dat ik die betoverende natuur als een soort plaatsvervangend tehuis heb gezien. Hoewel ik uiteindelijk toch alleen maar de oppervlakte bleek te kennen. En dat is ook de basisgedachte van Oeroeg." In 1993 verschijnt de film Oeroeg, onder regie van Hans Hylkema.

Na de verschijning van Oeroeg zal Haasse een centrale rol vervullen in de Nederlandse literatuur, hoewel ze in geen enkele naoorlogse stroming is in te delen. Met Het woud der verwachting uit 1949 start ze een lange reeks historische romans - het genre waarin ze naam maakt binnen en buiten Nederland. Het boek beschrijft het leven van de vijftiende-eeuwse Charles van Orléans. "Charles d'Orleans trok me aan vanwege zijn poëzie en vanwege zijn gevangenschap natuurlijk. Het feit dat hij bevrijding zocht en vond in het dichten terwijl hij achter slot en grendel zat, en ík die aan het materiaal voor het boek werkte in de oorlog, daar zat natuurlijk een overeenkomstig iets in." De roman blijkt een teleurstelling voor velen die een nieuwe Oeroeg verwachten, maar zal later steeds meer waardering krijgen. "Historie en Haasse horen bij elkaar," zoals Dirk van Ginkel in de Haagse Post zal opmerken.

Ook in De scharlaken stad (1952) zoekt ze de geschiedenis weer op. Ze is er in deze romans niet op uit om letterlijk de geschiedenis te beschrijven, maar om een eigen, fictieve vorm aan het grote verhaal toe te voegen. In een interview met Johan Diepstraten zegt ze: "Wij weten niet hoe het verleden was, maar in de voorstelling daarvan, kan de schrijver een eigen wereldbeeld verpakken. De enige eis die je aan de historische roman moet stellen is: opent het verhaal een visie op een bepaalde tijd, op bepaalde figuren of op een leven." Gezien haar oeuvre van historische romans krijgt Haasse de bijnaam de Marguerite Yourcenar van Nederland (hoewel het omgekeerde ook zou volstaan).

Na Charles van Orléans zullen er veel historische personen volgen: Joan Derk van der Capellen in Schaduwbeeld of Het geheim van Appeltern (1979), Charlotte Sophie Bentinck in Mevrouw Bentick of Onverenigbaarheid van karakter uit 1978 en De groten der aarde uit 1982, de Romeinse dichter Claudius Claudianus uit Een nieuwer testament (1966) en de Marquise de Merteuil, de intrigante uit Les Liasons dangereuses uit Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven (1976). Voor dit laatste boek kreeg ze in 1977 de Haagse Littéraire Witte Prijs. Ook Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven zal met het groeien der jaren erkenning krijgen. Zoals Aleid Truijens in NRC Handelsblad zal bekennen: "Tot mijn schaamte moet ik erkennen dat het lang geduurd heeft voordat ik ontdekte dat Hella Haasse méér geschreven had dan Oeroeg en De verborgen bron [...] Het keerpunt kwam voor mij bij het lezen van Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven. Dit is niet zozeer een roman, eerder een vermomd essay over de verhouding tussen man en vrouw."

Haar historische romans zijn geen traditionele historische romans - zoals Het slot Loevestein of De Leeuw van Vlaanderen - maar ingewikkelde netwerken van feiten en verbeelding, waarbij ze altijd uitgaat van authentieke brieven en documenten, die soms in fictieve vorm terugkeren in haar boeken. Door deze aanpak vervagen de grenzen tussen verschillende genres als essay, verhaal, biografie en geschiedschrijving. Ze probeert een synthese te maken die er vooral op uit is om de witte plekken in de geschiedenis op te vullen - periodes en personen die net buiten de officiële geschiedschrijving vallen, maar daar wel een belangrijke relatie mee hebben. Haasse richt zich daarbij vooral op vrouwen die een bijzonder leven hebben geleid. Kees Fens: "Romans van Hella Haasse - zeker de latere - worden gekenmerkt door breuken of blinde vlekken, gevolg van het conflict tussen weten en verbeelden bij de historicus en de romancier. Er zijn altijd meer mogelijkheden dan werkelijkheden, wat de hoofdfiguren moeilijker te doorzien, want vaak meerduidig maakt."

Naast de historische roman beoefende Haasse in haar lange carrière een groot aantal andere genres: toneel, essays, verhalen en autobiografieën. Zelfportret als legkaart (1954), Persoonsbewijs (1967), Krassen op een rots (1970) en Een handvol achtergrond (1993) geven haar de gelegenheid om haar complexe achtergrond in kaart te brengen en te proberen haar eigen heden en verleden te verenigen. Haasse: "Ik heb nooit de behoefte gehad om verschrikkelijk autobiografisch te werk te gaan. Mijn eigen leven is niet alleen van mij, het is ook het leven van mijn man, mijn kinderen, ouders en grootouders. Er zijn zoveel mensen bij betrokken als je werkelijk over je eigen leven gaat schrijven."

Ook gaat Haasse in haar autobiografische essay's uitgebreid in op haar werk als schrijver. Zo beschrijft ze in Zelfportret hoe haar boek der boeken over een soort Elcerlyc door de eeuwen heen zal moeten gaan, "een in kaart gebrachte microcosmos". Haar essays worden echter minder gewaardeerd dan haar romans. Aleid Truijens: "Het bezwaar dat zij die filosofische rimpel graag op het voorhoofd van de lezer wil toveren, geldt wat mij betreft wel voor sommige van haar essays [...]. In die essays staan soms tobberige breedsprakige passages [...]. Die irritatie verdwijnt echter meestal snel, want al vind ik haar betoogtrant niet sprankelend, haar essays overtuigen mij altijd."

In 1959 schrijft ze voor de tweede keer een Boekenweekgeschenk, Dat weet ik zelf niet, in 1993 zal de derde volgen, Transit, over een jong zwervend meisje dat doordringt in de wereld van drugscriminaliteit, jeugdprostitutie en vrouwenhandel om uit te zoeken wat er is gebeurd met haar verdwenen vriendin en haar overleden vriend. Haasse over het verband tussen de Boekenweekgeschenken: "Zowel Oeroeg als Dat weet ik zelf niet gaan over vriendschap, over het gevoel een vreemdeling te zijn in de wereld waarin je leeft. De ik-figuur in Oeroeg is een vreemdeling in het land van zijn geboorte, de jonge mensen in Dat weet ik zelf niet zijn vreemdelingen op weg naar de volwassenheid in verschillende perioden van de geschiedenis."

In augustus 1981 verhuist Haasse met haar man naar het Franse plaatsje Saint-Witz, vlak bij Parijs, maar sinds 1990 woont ze weer in Amsterdam. In de jaren tachtig wordt ze veelvuldig bekroond: met de Constantijn Huygens-prijs (1981), de P.C. Hooftprijs (proza) in 1983 en de J.P. van Praag-prijs in 1985. In 1988 krijgt Haasse een Eredoctoraat in de Letteren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In april 1992 ontvangt ze uit handen van koningin Beatrix de Eremedaille in Goud voor Kunst en Wetenschap in de Huisorde van Oranje en in 1995 krijgt Haasse de Annie Romeinprijs. Haasse's meest gewaardeerde boek van de afgelopen jaren is Heren van de thee. De roman verhaalt de geschiedenis van het echtpaar Rudolf Kerkhoven en Jenny Roosegaarde Bisschop, en hun afgelegen thee-onderneming Gamboeng. De roman is gebaseerd op historisch materiaal uit de familie-archieven van de Kerkhovens dat met goedvinden van de nakomelingen door Haasse tot een romanvorm werden verwerkt. Het boek werd een enorm succes en leverde haar de CPNB Publieksprijs 1993 op. Haasse: "Kijk, een pen, een blaadje en je hoofd, daar gaat het om. Gaan zitten en schrijven. De rest is franje."

In 2002 verscheen tot ieders verrassing de grote roman Sleuteloog. Haasse keert daarin terug naar een oude omgeving: Nederlands-Indië. De roman verhaalt van de vriendschap tussen de twee vriendinnen, Herman Warner en Dee Meijers. De eerste is blank, de ander komt uit een Indo-Europese familie. Warner kijkt terug op haar leven en de onmogelijkheid het land en de cultuur van haar jeugd écht te kennen. "Ik besef allang, dat de verzonken wereld van mijn jeugd voor een groot deel een illusie is geweest. Alle stadia van afscheid nemen en ontwennen heb ik doorlopen. Wat ik in mijn geboorteland zintuiglijk en emotioneel beleefd heb, ligt verankerd op de bodem van mijn bewustzijn. Het bepaalt mij, maar ik kan er niet meer bij. Dat ik nergens ooit helemaal thuishoor heb ik aanvaard als mijn natuurlijke staat van zijn."  De meeste recensenten waren zeer enthousiast over deze melancholieke, rijke roman. "Er ontstaat in Sleuteloog een weefsel waarin alles met alles te maken heeft - kenmerkend voor Haasses oeuvre," schreef Margot Dijkstra in NRC Handelsblad. "Haasses romans worden steeds compacter. Je nieuwsgierigheid wordt aangejaagd, terwijl er ook een beroep op je verbeeldingskracht en concentratie wordt gedaan" En Onno Blom in Trouw: "In feite heeft Haasse met het conflict tussen de twee meisjes opnieuw haar eigen innerlijke onrust beschreven, een onrust die zij heeft gevoeld vanaf 1938, het jaar dat zij Indië voorgoed verliet om in Amsterdam te gaan studeren."  Alleen Ed van Eeden was in Het Parool lichtjes kritisch. "Op zich is deze roman een formidabel stukje vakmanschap. Jammer dan Haasse een vooral zeer literair boek heeft willen schrijven, wat heeft geleid tot een ronduit hinderlijk vertoon van veelzeggende beelden."

Eenmaal in de drie jaar wordt het werk van een auteur van oorspronkelijk Nederlandstalige literaire werken bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren. In 2004 viel de eer te beurt aan Hella S. Haasse. Een mooie kroon op haar werk.

Boeken van Hella S. Haasse

Bij de les
Wie kent ze nog, uit eigen ervaring of uit de overlevering van (groot)ouders? De schoolplaten uit de reeks 'vaderlandse geschiedenis' of 'kennis der natuur'. Achter één voorstelling ontvouwde zich een hele wereld: 'De prins trekt over de...
Meer informatie