BOEKEN

haagse liefde & de vieze engel

‘Die hohe Seele, die sich mir verpfändet,
Die haben sie mir pfiffig weggepascht.
Bei wem soll ich mich nun beklagen?
Wer schafft mir mein erworbnes Recht?’

(Goethe, Faust 2.Teil)

1

Sinds er nieuwe formulieren waren ingevoerd, pasten de
meldingen van precieze aard niet meer binnen de aangegeven
lijntjes. Ook de hokjes voor de bedragen waren te smal
gemaakt voor de exacte weergave.Van Poel van Avezaath,
verzekeringsmedewerker alhier, wist niet meer hoe hij het
had. Hij had zijn best gedaan zijn handschrift te verkleinen
en de letters dunner te schrijven, maar het bood geen oplossing.
Er bleek niets anders op te zitten dan de ware toedracht
in te korten en met de getallen te gaan rommelen
achter de komma, met alle gevolgen van dien. Meldingen
werden door elkaar gehaald, oorzaken konden niet meer
worden teruggevonden en de feiten raakten op drift. Zonder
enige stempel of paraaf, zonder ook maar een enkele vorm
van officiële bevestiging begonnen ze, buiten de burelen
om, een eigen duister leven te leiden.
Hij was eerst bang geweest dat hij hiervoor van hogerhand
berispt zou worden. Maar de eigengereidheid der feiten
was zo moeilijk controleerbaar geworden dat het onjuist,
en op zijn minst onzorgvuldig was geweestomhemer
in zijn eentje, c.q. als particulier, aansprakelijk voor te stellen.
Van Poel van Avezaath wist er alles van. Hij was jurist,
niet afgestudeerd weliswaar, maar hij werkte inmiddels
negentien jaar voor de Maatschappij, langer zelfs dan Slosser,
en had zich terdege bekwaamd in de ingewikkelde verhouding
tussen oorzaak, gevolg en feit.
Met weerzin constateerde hij dat deze kennis tegenwoordig
niet meer telde. Steeds vaker werd er bij twijfel uitgekeerd.
Doorde nieuwe formulieren kreeg de slordigheid vrij
baan – en er was niemand die zich er rekenschap van gaf dat
zulks strijdig was met het wezen van het assurantiesysteem.
BehalveVan Poel van Avezaath. Hij was de enige die het
er niet zo gemakkelijk bij liet zitten.Voorzover het aanhem
lag, hadden troebele zaakjes ook onder de nieuwe richtlijnen weinig kans vanslagen. Zonderoorzaak geen gevolg, en
loze feiten verdienden het niet door de polis te worden gedekt.
Zelf had hij, als particulier, nooit gedeclareerd, ook niet
die ene keer toen er gerede aanleiding toe bestond.Tussen
zijn echtgenote en hem waren bij die gelegenheid harde
woorden gevallen, maar hij was er trots op geweest niet te
zijn gezwicht.Noclaim was door zijn zuiverheid een van de
mooiste begrippen die hij kende. Het was de ziel van het
verzekeringswezen, van de afdeling Schade althans, en hij
kon zich niet voorstellen dat hij die zou verkopen.Voor gewone mensen was het voldoen van premies een soort inleg
voor een kansspel, met de restitutie als prijzengeld en uitkering
bij oververzekering als bonus. Zelfs zijn vrouw had
hem dat voorgehouden: dat hij reeds een bepaalde somma
aan premieheffing had betaald en daarom ‘recht’ had op restitutie. Nooit had hij de onnozele het hogere streven der
verzekeringen kunnen bijbrengen: de zekerstelling die een
vrijwaring is – het lot als een gedekte polis, de no claim als
schriftelijk bewijs dat rampspoed geen vat had op de volledig
verzekerde. Nee, zijn vrouw begreep hem niet. Daarom
had hij zich, met personeelskorting, ook tegen haar ingedekt.
Soms dacht hij dat hij alleen stond in zijn geloof en vertrouwen
in het assurantiesysteem.Wanneer hij Slosser tijdens
de werkbespreking hoorde zeggen dat er niet te veel
tijd en aandacht moest worden vermorst aan de afleggertjes
of doodlopers, protesteerde hij in stilte. Natuurlijk kreeg
Slosser zijn directieven van boven, en kon hij er zelf niets
aan doen.Toch was het een schande dat de Maatschappij de
rechtvaardigheid woog op de balans van winst en verlies.
Hij achtte het in strijd met de juistheid een zaak te beoordelen
naar de hoogte van de eventuele restitutie. Het was zijn
taak de claims te behandelen en zolang er incorrectheid
bestond, vonden ze hem op hun weg. Hoe dan ook. Omdat
hij niet geneigd was tot openlijke tegenspraak, volgde hij de
richtlijnen plichtsgetrouw op en behandelde hij de afleggertjes
en doodlopers privé – niet uit gedienstigheid jegens de
Maatschappij, maar uit innerlijke overtuiging. Hij kon niet
anders, hij kon geen half werk leveren. Of het nu een gestolen
portemonnee betrof, een inbraak of verkeersschade, hij
móést de ware toedracht weten. Hij verstond zijn vak. En
een vak, dat is een roeping.
Jongere collega’s beschouwdenhemals een ondergeschikte
van de oude stempel. Hij wist dat wel. Ze lachten hem
achter zijn rug uit omdat hij ondanks zijn ijver en nauwgezetheid nooit carrière had gemaakt. Een armzalige dienstklopper vonden ze hem als hij weer eens na kantoortijd op de fiets stapte om ergens ter plekke de zaak in ogenschouw
te nemen. Zo had hij het vak nu eenmaal geleerd, ook Slosser
had het zo nog geleerd. Dat de bezuinigingen thans hun
schrale spoor trokken, soit. Hij deed zijn werk.Deexpertise
was en bleef de grondslag van de schadebepaling, expertise
en taxatie, daar draaide het om. Hij kon helaas niet alles
aan in zijn eentje. Door zijn hardnekkigheid hoopten de
achterstallige behandelingen zich op. Er was daarom geprobeerd hem over te plaatsen naar Levensverzekeringen, het rustoord van de branche. Alsof hij met zijn extra inspanningen de Maatschappij tot last was. Hij had al heel wat fraudeurs ontmaskerd, kruimelaars in het jargon, maar ze waren evengoed uit het bestand geschrapt – dus zo ontevreden
waren ze niet met zijn privé-onderzoeken. Ook de politie
werkte hem tegen. Er waren in het korps functionarissen
die botweg – en bovendien in strijd met de wet – weigerden
proces-verbaal op te maken wanneer hij aangifte kwam
doen van valsheid in geschrifte en poging tot oplichting. Als
de criminaliteit telefonischwerdafgehandeld, c.q. afgewimpeld,
dan stond een assurantiemedewerker machteloos. Hij
mocht dan bijvoorbeeld ter plekke de afwezigheid van
braaksporen vaststellen, wanneer de cliënt loog dat de boel
inmiddels was gerepareerd, moest hij het per formulier opgegeven verlies noodgedwongen accepteren. Hij kon zo iemand hoogstens nog pakken op de gebrekkigheid van hangen sluitwerk, maar dat was bij zulke lieden natuurlijk tot in de puntjes verzorgd.
Bovendien werd zijn werk bemoeilijkt door de toenemende
grofheid van de cliënten. Het kwam steeds vaker voor
dat hij met mishandeling werd bedreigd door hardhandige
kerels inhemdsmouwen en met etensresten rond de mondhoeken, door vrouwen en kinderen zelfs en niet het minst
door huisdieren.
Toch versaagde hij niet. Het waren voor hem kleine overwinningen wanneer hij zogenaamd ontvreemde elektronische afspeelapparatuur of in de polis apart vermelde kostbaarheden in een doorhembetreden woning aantrof zonder
dat de betreffende declarant de juiste kwitanties kon overleggen.
Op deze wijze maakte hij tot in de meest verslonsde
uithoeken van de stad duidelijk dat er voor bedriegers bij de
Maatschappij geen plaats kon zijn. Slosser was hem daarvoor
– ondanks alles – altijd dankbaar geweest, dat voelde
hij. Niet dat het ooit werd uitgesproken, maar dat hoefde
ook niet. Hij was er niet zo een die bij de chef naar complimenten viste. Hij wilde slechts zijn taak naar behoren vervullen.
Dat was zijn plicht.
En plicht behoorde, net als rechtvaardigheid, blind te zijn.
Zonder aanziens des persoons.Wetten en regels bestonden
bij gratie van onbepaalde uitvoering, daar paste geen wikken
en wegen. Een overtreding was en bleef een overtreding.
Het was niet aan de uitvoerder daar een mening over
te hebben. Daarom deed ook zijn eigen mening er niet toe,
zo hij er al een had. Zolang in de polis niet stond vermeld
dat ook bij leugen en bedrog werd uitgekeerd, zou hij dergelijke valse inbreng bestrijden, want de regels stonden hoger dan de richtlijnen die intern werden uitgevaardigd.
Sinds kort waren er complicaties opgetreden die de overzichtelijkheid nog meer verstoorden. Van Poel van Avezaath was ergens in verstrikt geraakt, misschien niet juridisch, maar zeker moreel. Het betrof een geval dat het verzekeringsrecht verre te boven ging, al zaten er nogal wat
assurantiekanten aan, op het gebied van lijfrente en op dat
van schade en wettelijke aansprakelijkheid. Maar in wezen
ging het om een hoger recht, waarvan de beschikking niet
in handen lag van verzekeringsmaatschappijen, zelfs niet
van rechtbanken en zeker niet van de heer Van Poel van
Avezaath. Het was het recht dat aan God toebehoorde en
dat, als het voltrokken werd, onder de mensen lot of lotsbestemming werd genoemd.

BOEKEN

ON TOUR

CONTACT

BIO 1 | BIO 2 | BIO 3 | BIO 4 | BIO 5 | BIO 6 | BIO 7

WWW.VLADIWOSTOK.NL