BOEKEN
IZAK
1
De jongen ligt op zijn buik onder de voorgalerij te luisteren
naar de woedende regen. Het is net begonnen, alles
barst van het bovenaards geweld, de donder rolt vloekend
van de bergen. Dus op blinde voetjes om het huis heen naar
achteren rennen, schuilen onder de scheefgezakte terrastafel
bij de opslag, dat gaat niet meer. Het water is razend, het klatert,
roffelt, het knalt bruut als boze goden uit de verduisterde
hemel los. Vogels krijsen, takken kraken. Wie zich niet
verbergt, wordt weggezwiept. Soedah, geduld toch jongen.
Nog even, dan hoort hij vanzelf de ordening. Misschien ja.
Als hij maar goed genoeg luistert. Dan is het er opeens, de
watermuziek zoals hij het in gedachte noemt: de regenklanken
die met watervlugge vingers als tover uit het kabaal te
voorschijn komen waaieren.
Maar niet altijd hoor. Je moet het eerst in je eigen hoofd aan
horen komen, naderbij horen komen. Of hoe heet dat, wanneer je iets zo sterk verwacht dat het er al bijna is?
Hij weet zeker dat de muziek overal in verstopt zit. Alle dingen hebben hun toon, hun eigen klank. Aan de binnenkant
van alles zit een geluid dat stilletjes wacht tot het eruit gehaald
gaat worden. Luister maar: alles wat wordt aangeraakt,
laat zich horen. Alles wat je hoort, is aangeraakt.
Opeens is hij bang dat de muziek er al is, dat alleen hij haar
niet kan verstaan. Dat hij op de verkeerde klanken let, alleen
de losse geluiden hoort, het kabaal dat de regen maakt.
Misschien luistert hij te ingespannen, moet hij proberen
om níét te luisteren. Lekker niet opletten, jongen. Wachten
tot de muziek hém gaat vinden, daar onder het huis.
De slagregens lijken ontketend, ze roffelen op het gebladerte,
trommelen als gekken op het huis en op de bijgebouwen.
De dakrand, huivend over de voorgalerij, is een waterval, het
pad een kolkende bergbeek, een kali van lauwe modder. Geen
dammetje of dingetje om het tegen te houden, af te voeren.
Als hij niet oppast wordt ook hij straks weggespoeld.
Hij kan naar binnen gaan. Dat kan hij ja. Njonja heeft hem
een sleutel gegeven, kom es hier jongen, ze heeft ’m gauw in
zijn hand gestopt, niemand heeft ’t kunnen zien. Het gebeurde
op de ochtend dat ook de scholen dicht zijn gegaan. Zijn
meester was al weggehaald, zeiden ze, in een grote vrachtauto
geladen en hup weg, hij is toen het hele stuk hierheen gerend
om te zien of njonja Alma er nog was. Het is een kleine
sleutel, niet voor een huisdeur. Misschien voor een kast of
een kist, voor een lade misschien of voor een luikje. Maar
waar hij nou echt op past, dat heeft hij eerlijk gezegd vergeten
te vragen. Hij was veel te trots dat njonja hem vertrouwde
en haar eigen djongos niet. Maar pff! hij is een jongen van
Ambon ja, hij is niet van hier.
Toch, naar binnen gaan durft hij niet. Zelfs niet om snel
met twee vingers over de toetsen van de piano te trippelen.
Steeds sneller, tot zijn vingers de toetsen niet meer bij kunnen
houden.
Als njonja Alma terug is, gaat ze hem leren hoe het moet.
Binnen, op de piano, liggen de grote, platte boeken waarin
het geschreven staat: dichtbedrukte bladzijden vol onbegrijpelijke
tekens, een geheimschrift dat steeds expres buiten de
lijntjes gaat. Als je wilt spelen, moet je eerst zo’n boek opengeslagen
op de klep zetten. Kijk, zegt njonja dan, terwijl haar
handen vanzelf doorspelen. Dan hoor je wat hier staat. Met
een hoofdknik wijst zij op het opengeslagen boek vóór haar.
En hij maar kijken naar die zwarte tekens die als regendruppels van het blad druipen, en naar die losse vingers, feilloos
schijnen ze te weten onder welke toetsen de juiste tonen zich verborgen houden. Maar hoe hij ook luistert en hoe hij ook kijkt, hij snapt er niks van.
En nu kan hij het niet meer vragen.
Hij lijkt wel een verstekeling, zoals hij zich onder de voorgalerij
verschuilt. Alleen komt er niemand om hem te ontdekken,
niemand die komt zeggen: ‘Eindelijk, we hebben ’m!’
Boven zich hoort hij geen enkel teken van leven: zeker niet
het Hollandse-mevrouwengeluid van hakken op houten
vloer, en zelfs niet het voorzichtige kraken van bediendenvoetjes.
Hij ligt hier heel stilletjes, hij kan hier zo lang liggen
als hij maar wil.
Met twee vingers, de twee langste, voelt hij in zijn broekzak
of hij de sleutel nog heeft – zomaar, om het zeker te weten.
De vochtige ondergrond begint aan zijn huid te plakken.
Hij rolt zich om, lenig als een aapje, keert zich op zijn rug en
klopt de hele kriebel van takjes, blaadjes, beestjes van zijn
buik, zijn bovenbenen. Ziet, zo liggend, boven zich de spleten
tussen de planken van de waranda, net te smal om doorheen
te kijken. Ritme van licht en donker. Daarna draait hij
zich op zijn zij, ziet vanonder zijn beschutting de regen knetterend,
spetterend opspringen – alsof zij terugschrikt van
zichzelf, van het geweld dat zij in zich draagt.

|