BOEKEN

J.KESSELS: THE NOVEL

J. Kessels: The Novel is het krankzinnige verslag van een ongewenste reis van de schrijver P.F. Thomése met zijn beste vriend (en favoriete personage) J. Kessels naar Sankt-Pauli, Hamburgs uitgewoonde hoerenbuurt, en weer terug naar Tilburg.
Het is allemaal de schuld van ene Bertje, een oude kennis uit de Cafetaria Van Vroeger, wiens knetterhete frituurspetter van een zus de tongen nog steeds weet los te maken. En niet alleen de tongen. Waardoor de vrienden al gauw verstrikt raken in een web van intriges waar zij zelf part noch deel aan hebben.
‘Van mij hoeft het allemaal niet zo,’ verzucht J. Kessels als ze het zoveelste pittoreske toplesstentje uitlopen.
Maar als hij de kofferbak van zijn Toyota Kamikaze openmaakt, doet hij een afgrijselijke ontdekking. En dan begint het balletje (of wat het ook is) pas goed te rollen.

J. Kessels: The Novel is de wervelende nieuwe roman van een van de belangrijkste schrijvers van onze tijd.

De bijbel van de patatgeneratie – De Tijdgeest

Wie dit niet gaat lezen, is gek – Lezersweb.nl

kessels

 

PART ONE / EEN VREEMD EFFECT

Het begon allemaal met zo’n telefoontje waar ik echt niet op zat te wachten. ‘Spreek ik met P.F. Thomése, de beroemde
schrijver?’ Op zo’n toon van: o o o, wat zijn we
weer interessant. (Als ze zo beginnen, hoeft het voor mij
eigenlijk al niet meer.) Hij beweerde dat ik hem goed kende.
Shit, ook dat nog. ‘Van vroeger,’ expliceerde hij met de
precisie van een schot hagel. Vroeger is een lange tijd,
makker, dacht ik bij mezelf. Daarin kon veel voorgoed
verloren raken. Meer in ieder geval dan je terug zou willen
vinden.
Triomfantelijk noemde hij zijn naam, die me op het
eerste gehoor niets zei. Dat kwam ook doordat ik hem niet
goed verstond. Er zat een ‘ah’ of ‘ai’ in het midden. Baars,
Baaij of mogelijk Haai, maakte ik eruit op. Enfin, iets met
een luchtje. Wel herkende ik meteen de lullige tongval die
zo kenmerkend is voor onze streek, waar de klei zo zompig
is dat menigeen er voorgoed in is blijven steken.
Hij was me altijd blijven volgen, verzekerde hij me, en
hij prees mijn werk zo omstandig, dat ik vreesde met een
flauwe grappenmaker van doen te hebben, of met een criticus
die iets goed te maken had, wat op hetzelfde neerkwam.
Er gingen nu eenmaal heel wat idioten in een dozijn.
Uit zijn eerlijk gezegd op den duur nogal langdradige
lofprijzingen kon ik opmaken dat hij vooral een fan was van mijn Greatest Hits, waarop ik hem plichtmatig complimenteerde met zijn voortreffelijke keuze. (In feite
noemt iederéén altijd deze titel.) En algauw werd de reden
van zijn geslijm duidelijk: hij zocht het adres en telefoonnummer van mijn reisgenoot J. Kessels, met wie ik in
voornoemd boek inderdaad gedenkwaardige avonturen
beleef. Onze ‘ah’ of ‘ai’ van vroeger was de zoveelste die
J. Kessels in het echt wilde leren kennen – het bekende gezeik
waar mijn reisgenoot terecht een ‘kuthekel’ aan
heeft.
‘Ik geef nooit telefoonnummers van mijn personages,’
antwoordde ik kortaf.
‘Op bladzijde 101 van de derde, vermeerderde druk
staat anders wel zijn adres: Hertogstraat 50 in Tilburg.’
‘Ga daar dan maar heen,’ antwoordde ik droogjes.
‘Heb ik al gedaan. Maar daar zeiden ze dat meneer Kessels
was verhuisd.’ Zeeën ze, zei hij op zijn streekgebonden
wijze.
En op dat moment viel het kwartje. Een heel oud kwartje – dat al die jaren moest hebben vastgezeten. Zeeën ze, en toen gleën ze in elkaar en deën het. Aldus, op deze woorden, gleed ik terug het verleden in. Het verleën in. Waar de verlangens, onvervuld, eeuwig op mijn terugkeer lagen te wachten.
Het kwartje, dat zo lang had vastgezeten, bevond zich
in de gleuf van de Bally ‘Gold Rush’-flipperkast. Uit de
jukebox van de firma Wurlitzer schalde voor de zoveelste
keer Dave Berry’s hit ‘(You’ve Got That) Strange Effect (On
Me. And I Like It)’. Het was de Cafetaria Van Vroeger, waar
vreeswekkend grote frikadellen (de zogeheten ‘negerlullen’,
plaatselijk bekend van de ‘negerlul speciaal’) zich gaar lagen te gillen in het hete frituurvet, waar ook de Meisjes heet waren als uitgegaard vlees, waar de vette dampen zwetend neersloegen op de afwasbare witte tegels – een hels paradijs waar ik toen net nog te klein voor was.
‘Bertje de Braaij!’ riep ik uit. ‘Van de cafetaria!’ Maar ik
dacht niet aan hem, en ook niet aan zijn vader, de manke
Pa de Braaij (‘mank geschupt,’ zeeën ze) die met zijn vuile
schort, bezwete hemd en vetzwart achterovergekamde
haar (‘coupe friture’) als een Hefaistos boven de hete dampen
hing, mijn gedachten zwommen als een hijgende
drenkeling naar zijn oudere zus, de vroegrijpe Birgit de
Braaij, bijgenaamd B.B., initialen die zowel op haar billen
konden slaan als op haar borsten, die eigenlijk naamloos
waren, zo goed kende ik dat hele bolvormige samenstel
van alsmaar kijken; vertrouwde, haast huiselijke rondingen
waren het allengs geworden, aanraakbaar aanwezig
in de cafetaria – maar onbereikbaar zodra je er ook maar
een vinger of iets dergelijks naar uitstak. En ik kon het
weten. Hoeveel negerlullen speciaal had ik niet naar binnen
gewerkt om maar in B.B.’s buurt te kunnen zijn?
Toch had ik in geen eeuwigheid meer aan haar gedacht
(zo kwam het me voor) en evenmin aan Dave Berry met
zijn ‘Strange Effect On Me’. Maar het kwartje was gevallen,
met een klik trad het mechaniek in werking, en daar
stond ik, vlak achter haar, terwijl zij haar zilveren kogels
afvuurde op het zenuwstelsel van de gloednieuwe Bally
‘Gold Rush’ (mét de ‘Mystery Bonus’-punten die achteraf
konden worden bijgeteld voor ‘vrij spel’), maar ik zag alleen
haar kont, die steeds naar mij toe deinde, met onmiskenbare
(ik zeg het maar gewoon) neukbewegingen, dichter en dichterbij, ik kon/wilde geen kant meer op. De zilveren kogels gingen als gekken tekeer tussen de stootkussens van de Pinball Machine, de lampjes flitsten aan en uit, de flippers hielden het maar net. De olie droop als vers zweet tappelings van de tegels, achter de toonbank liet Pa de Braaij de negerlullen fluisteren en sissen in de gloeiende vetkorven, de kont, de zilveren meisjeskont, de kogelronde flipperkont danste voor mijn ogen, werd ronder en ronder, Dave Berry vond het maar een heel vreemd effect.
En weer kon ik niet verhinderen dat het gebeurde.
In plaats van een stapje opzij te doen deed ik een stapje
naar voren. Contact. Meteen werd ik meegetrokken in de
kronkelende heupbewegingen die ze maakte om op magische
wijze de zilveren kogels bij te sturen op hun zinloze
traject tussen flikkerende lampjes en piepjes en bliepjes.
Ik voelde hoe het klopte, heel deze zinloosheid, hoe
het precies paste allemaal.
‘Pa! Pa!’ gilde B.B. ‘Haal dat vieze jong hier weg.’
Ik had hem nog niet zien aankomen of hij stond al voor
me, de zachtglanzende manke frituurgod. Ik herinnerde
me de verhalen over pannetjes kokend braadvet waarmee
hij in de mythische voortijd (toen ik nog niet geboren
was) hele motorbendes in krijsende pijnen overgoten scheen te hebben. In het tl-licht zag ik hoe de schilfers van zijn hardnekkige hoofdroos in zijn fameuze coupe friture
bleven plakken, ik zag zijn rode, opgezette gezichtshuid,
ik bekeek het allemaal heel nauwkeurig, alsof het het
laatste was wat ik van de wereld te zien ging krijgen. Hij
pakte me in mijn nek en sleurde me naar het midden van
de cafetaria. Daar liet hij iedereen zien wat hij met jongens zoals ik placht te doen. Hij trok mijn broek omlaag
en – mijn god, ik wist alles weer.
‘Bertje de Braaij,’ stamelde ik. ‘Fúck man. Dát is lang
geleden.’

 

BOEKEN

ON TOUR

CONTACT

BIO 1 | BIO 2 | BIO 3 | BIO 4 | BIO 5 | BIO 6 | BIO 7

WWW.VLADIWOSTOK.NL