BOEKEN
nergensman
Je bent onzichtbaar nu. Je hoeft je geheimen niet meer te verbergen. BOB DYLAN OVER P.F. THOMÉSE
Nergensman is zijn meest persoonlijke boek sinds Schaduwkind. Thomése vervolgt er zijn zoektocht in de onontgonnen gewesten van de taal, waar wat voor altijd verloren is soms kan worden teruggevonden
Nergensman is een volstrekt onorthodox boek over lezen en schrijven en het onbereikbare leven, dat van dromen en herinneringen is gemaakt, van angstvisioenen en begeerte, verwondering en tomeloze woede, van zand en wind en water dat stroomt.
P.F. THOMÉSE

Genomineerd voor de Gouden Uil Literatuurprijs 2009
Uit de dagboekbladen. Terug naar het begin. Maar er is geen begin. Hans Lodeizen op mijn kamertje. Rimbaud. Bob Dylan. De duizelingwekkende diepte van het onbekende, het angstige, nerveuze verlangen naar de ander, hem te worden die ik werkelijk was. Wachten op de betovering. Die aanstaande was, dat wist ik,
dat voelde ik. Schrijvers, personages, ik haalde alles door elkaar. De
gigantische imitatie van iets wat ik niet kende. Literatuur: iets
nadoen wat je niet begrijpt. Daar ergens begint het: waar je het
niet begrijpt. Maar het is iets wat een ander niet eens ziet. Alleen
jij. Jij bent uitverkoren om het te zien, om het niet te zien. Om
het bijna, zo goed als, te zien.
Nog een begin. De atlassen, de natuurboeken. De geschreven
wereld. De wereld die pas bestond zodra zij gedrukt stond. Een
vogel pas zien als hij een naam heeft.
De onvoorstelbare opsommingen van plaatsnamen, dierennamen, voetbalnamen, van benamingen in het algemeen, de ontdekking
dat alles een naam heeft. Zelfs al weet het dat zelf niet.
De macht van de namenkenner. Hij heeft de wereld keurig in rijtjes
opgeslagen, hij kan over alles beschikken. Macht is een groot
boek, waarin het onuitputtelijke in godsonmogelijk kleine lettertjes
(en zonder plaatjes!) staat beschreven.
En ik maar lezen, turen, proberen te onthouden. De houten
verhuiskisten vol boeken in de garage. Postume restanten. Poste
restante. Fragile. Handle with care. Met een koevoet waren de
latten deksels opengebroken, de vreemde woorden fladderden
verschrikt op als vleermuizen in het maanlicht. Op mijn knieën
bladerend, zoekend naar iets, naar wat? Een geheim. Oude boeken.
Van dode mensen. Oude boeken als overlevenden, gered uit
een overleden wereld, boodschappers van een verdwenen wereld.
Oorlog heette het deksel op die wereld. De Tweede Wereldoorlog
of de Trojaanse Oorlog, daar wil ik even van af zijn. Maar daarachter
begon het paradijs, of hoe noemde je iets wat je niet kende?
Nostalgie naar het oude Rusland, het schitterende Parijs, het
donkere, gesloten Londen, de prairies van de Midwest, het gesluierde
Arabië, naar heel die wereld die alleen voor jou was blijven
bestaan, waar alleen jij de weg kende, niemand anders.
Jij, ik? Wie bedoel je?
De jongen die ik daar steeds tegenkwam. Winnetou heette hij,
Keesje van Bree, Huckleberry Finn. Later heette hij wéér anders:
Elmer, Holden Caulfield, Frédéric Moreau. Dezelfde jongen was
het, dat wist ik zeker. Met al zijn namen. Ik kende hem als geen
ander en toch kon ik bij god niet zeggen hoe hij eruitzag.
Had ik maar zoveel namen. Ik had er geen één. Ik had alleen
maar woorden, die ik bewaarde als stenen, als schelpen.
Het genot van woorden die niet naar dingen of gebeurtenissen
verwezen, die louter woord bleven. De wersten, staretsen en samowars
herinner ik mij, intrinsiek, immanent, maar ook filigrein,
maliebaan, vadermoorder. Woorden die niet over hun
woordachtigheid heenkwamen, verrukkelijke boekentaal, wartaal,
tovertaal. Nog steeds heb ik die hang naar Moeilijke Woorden,
losgeraakt van de wereld der dingen en nu zelf ding geworden.
Onbekende werelden, gemaakt, ingemaakt, geconfijt, van onbegrepen
woorden. Confit de mots. Om ze te kunnen bewaren. Voor
later, ooit, wanneer het moment is aangebroken. Meenemen dus,
zo’n onverklaarbare taalparel. Je wist het maar nooit.
Als een Klein Duimpje met zelf meegebracht vocabulaire
strooiend om de weg terug te vinden naar waar je nooit geweest
bent. Thuis: niet de plek waar men vandaan komt, maar de plek
waar men heen wil. Niet zozeer een plek alswel de verbeelding
van een plek. Men wil er ook niet echt heen, men wil ernaar verlangen.
Nergens zo thuis als onderweg, wegdromend in de bladzijden.
|