BOEKEN
Schaduwkind
de knoppen gesnoeid
Vandaag een schutting geplaatst. Al wonen we op het dak
van de stad, hoog boven het Dal der Mieren, er zijn altijd
koppen, bekken, smoelen. God, wat haat ik de mensen.
Kst! Vort! In ieder geval heb ik in onze afgezonderde tuin
hierboven de bloesem afgeknipt, de knoppen gesnoeid, ik
moet toch iets, het kan toch niet gewoon doorgaan alsof
er niks is veranderd? Alles barst van het blad, het is niet
te stoppen. Overal scheuten en jonge aanwas. (En in de
donkerste hoek, stiekem en onaangeroerd, de els. Een
grauw boompje dat ooit als verstekeling moet zijn meegekomen
in oude aarde. Nu al net zo groot als een kind.)
Schuttingen, hekken, scharen. Anderen graven greppels,
smeden sloten, halen bruggen op. Branden steden
plat. Maar het komt op hetzelfde neer. Iets willen rechtzetten
wanneer het te laat is. Iets willen rechtzetten ómdat
het te laat is. Beperking, begrenzing, controle: de kleine
terts van de onmacht.
Elke dag drijven we verder van haar af, elke stap die we
zetten is er een van haar vandaan. Verder leven betekent
verder, steeds verder van haar af. We zetten ons schrap
tegen de dagen, maar de dagen zien ons niet staan. Ze
sleuren ons mee, voeren ons weg naar plaatsen die een
treffende gelijkenis tonen met wat wij kenden. En toch is
alles anders. Heeft iemand in onze afwezigheid expres de
boel verschoven? We botsen overal tegenop, we blijven
telkens haken, omdat we bij god niet weten waar we terechtgekomen
zijn.
Ons huis het huis van twee vreemden. Hebben ze een
kind? In de stilte is dat niet goed te horen. Voorzichtig tasten
we ons een weg. We speuren naar de geur van witte
was in schone kamers, de ademzachte rust van de middagslaap.
Geluk is iets wat je pas begint te benoemen als
je het niet meer kunt vinden. Katoenen gedemptheid, getemperd
daglicht.
Stil is het zeker, maar het is de verkeerde stilte. Uit alle
kasten, uit alle hoeken kan paniek te voorschijn springen.
Overal loert radeloosheid. We zijn op onze hoede,
proberen niet te kijken. Niet naar de kleertjes in de wasmand.
Maar zeker ook niet naar de wieg, het rode dekentje
met de melkvlek, het vliegeniersmutsje. Nee! Niet kijken!!
Het is het smerige onheil dat zich vermomt, juist in
de liefste dingetjes.
We moeten weerbaar worden, op deze manier zijn we
veel te kwetsbaar. Als je al schrikt van een babymutsje
ben je niet goed bezig.
Steeds het gevoel dat de boel niet klopt, dat de zaken
hier beter geordend moeten worden. Wie heeft de knoppen
afgeknipt, verdomme? De tuin kwam juist in bloei. Ik
weet het, ik weet het (de dingen lopen niet zoals ze horen
te lopen).
We moeten goed opletten bij wat we doen, want er zijn
fouten gemaakt, er is iets fundamenteel verkeerd gegaan.
En ondertussen, als een verstekeling in mijn gedachten,
het bedrieglijke vertrouwen dat er een oplossing gevonden
zal worden. We hoeven alleen maar de zaken op een
rijtje te zetten. Als je iets kwijt bent, betekent dit dat je
niet meer weet waar je het hebt neergelegd. Goed zoeken
dus, ook waar je niks denkt te vinden. Vooral daar. En
meteen de boel weer goed opbergen, anders raak je het
overzicht kwijt. Als de dingen geen vaste plek hebben,
houdt alles op. Voor je het weet trekt het gore verdriet het
jurkje-met-de-tamme-dieren aan en laat het expres de
kleinste sokjes slingeren.

|