BOEKEN
zuidland
LEVIATHAN
De drie jagers merkten pas na enige tijd dat ze niet meer op een pad liepen. In hun oren fluisterde en giechelde de drank, zodat
ze niet wisten dat het om hen heen als de dood zo stil geworden
was. Ze wilden schieten, want ze hadden de hele dag nog niets
geschoten. Af en toe legde een van hen aan, om de kolf tegen zijn
wang te voelen. Met de loop beschreef hij dan de vlucht van een
konijn of een korhoen. Maar al wat ritselde en fladderde verzweeg
zich in de bomen en het struikgewas, zodat het geweer
onverrichter zake weer geschouderd werd. De jagers strompelden
voort en wisten niet dat ze strompelden – hun dronken gedachten
ijlden lokkend vooruit als hertenhoefjes op het mos. De
honden keken almaar nieuwsgierig in het rond, ze volgden het
spoor van de jagers en dachten dat het ergens heen leidde. Achter
hen viel het landschap uiteen in duinen van los zand.
Om beurten droegen de jagers een vuile linnen zak. Daarin
vervoerden ze de stenen kop van de heilige Hieronymus van
Noordwijk, die ze onderweg gewonnen hadden met dobbelen.
De zak was zwaar en stonk naar vis. Soms moesten ze rusten
omdat hun vingers verkrampt raakten van het torsen. Toch
stonden ze telkens weer op en vergaten de zak niet. Hoewel ze de
zak niet mee wilden nemen, namen ze hem mee.
Onder hun voeten gleden de mulle glooiingen weg. Vergeefs
zochten ze houvast aan losschietend onkruid, prikkende doornbosjes
en dode boomtakken.
Pas toen de lucht versomberde en de storm opstak met woeste
vlagen die het duinzand deden stuiven, merkten ze dat ze bij
god niet wisten waar ze waren.
Bij een verweerde omheining bleven ze staan, omdat ze het
houtwerk eerder hadden gezien. Maar wanneer dat was geweest
en waar ze toen heen waren gegaan, dat schoot hun niet te binnen.
Zo stonden ze daar besluiteloos bij dat hekje in de wildernis, terwijl
de storm op de duinen beukte en het weerlichtte in de verte.
Het verbaasde hen dat er nergens beschutting was, net nu het begon
te hagelen en zandstormen het verdergaan onmogelijk maakten.
In gedachten vervloekte elk van hen de anderen, maar ook
zichzelf, omdat hij zomaar met hen was meegegaan naar nergens
toe. Zo goed en zo kwaad als het ging verscholen ze zich achter het
hekje, met de afgehakte kop van de heilige tussen hen in. De zak
was door de nattigheid heviger gaan stinken en ook hun frakken
roken nu naar vis. De honden waren in paniek en jankten van
radeloosheid. De jagers waren nauwelijks ongerust, aangezien
hun nooit iets ernstigs overkomen was. In hun hoofden gonsde
nog de grootspraak van zo-even, over jachtpartijen op de heerlijkheid
van die en die en over vrouwen met reeënogen en zacht en
mollig als konijn. Ineengerold, met het gezicht in het holletje van
hun armen, lieten ze het noodweer over zich heen gaan en ze
merkten niet dat de pluimen op hun hoeden waren geknakt.
De storm woedde verschrikkelijk. Verderop sloeg de bliksem in
en verdween een buurschap geheel en al in het loeiende en knetterende
vuur. Op zee werden vissersboten door de vloedgolven
verzwolgen en ook de scheepjes op het strand waren weg, want er
was geen strand meer. De zee kolkte al over de eerste duinen heen.
De jagers wisten van niets. Ze lagen weggedoken achter het hekje
en waren te ver weg om de noodklokken van Noordwijk op Zee te
kunnen horen.
Om hen heen kalfden windstoten de duinen af en maakten zo
de weg vrij voor de stormvloed.
De jagers duurde het te lang. Het was al laat en ze wilden voor
het donker thuis zijn. Ook waren ze bezorgd om de honden, die
ze al een tijdje niet meer hadden gezien. En toen de storm even
luwde, kropen ze overeind. Het viel niet mee: hun gewrichten
waren stijf en de hoofdpijn kwam met scheuten. Ze hadden het
koud en hun doorweekte kleding jeukte op het lijf. Na enig geharrewar
over de zak, of ze hem niet toch zouden achterlaten,
gingen ze met zak en al op weg.
Eerst moesten ze op het duin klimmen om te zien waar ze nu
eigenlijk waren. Het zand was rul en zwaar en gaf hun wankele
benen steun. Maar voordat ze op de top waren, dwong een
bruuske rukwind hen te gaan liggen.
Plat op hun buik kropen ze voort en zo bereikten ze het hoogste
punt.
Misschien hadden ze beter achter hun hekje kunnen blijven,
want wat ze zagen, maakte hun vooruitzichten er niet beter op.
Het was niet alleen de zee die alom was en die schuimbekte als de
profetieën van Jesaja, oplichtend en oprijzend onder de verduisterde
hemel, maar vooral dat beest, dat angstaanjagend groot en
vlakbij was, zo groot en ontzagwekkend dat het wel bijbels leek –
het keek hen aan en grijnsde omdat zij zo onbeduidend waren.
Het was niet duidelijk wat ze konden doen, want ook achter hen
was zee. Het was om zo te zeggen zo dat de zee alleen niet was
waar zij waren. Merkwaardig was ook, en dat drong langzaam tot
hen door, dat de zaak hopeloos was. Er was wel een vissersbootje
dat hun kant op dreef, maar voordat ze het goed hadden kunnen
zien, werd het door de golven kapotgeslagen.
Het duin hield nog vrij lang stand, en omdat het zo lang duurde,
kregen de jagers hoop. Het bijbeldier kwam niet dichterbij –
al ging het ook niet weg. Af en toe dompelde het onder, als om de
jagers te misleiden, en dan rees het weer op met een ontzaglijke
rug. Het kwam de jagers voor dat het beest de aanstichter was
van het zeegeweld. Het klapte met zijn staart op de golven en
leek ze zo op te stuwen. Soms opende het zijn muil en zagen ze
een walgelijke tong van vlees. Wellicht, indien ze het konden
doden, zou het onheilsweer ophouden – en het water zou terugkeren
naar de zee en zij zouden hun weg door de duinen kunnen
vervolgen. Maar de jagers hadden nog nooit groter geschoten
dan een hert en ze waren bang dat het beest, eenmaal geraakt,
slechts in toorn zou ontbranden. Toch grepen ze naar hun weitassen
en wilden ze hun geweren laden. Maar het kruit was nat
en ze probeerden het niet eens.
Ze dachten dat ze nu wel snel zouden worden opgegeten – en
dat maakte hen aan het huilen. De jagers huilden met schokkende
buiken en merkten ternauwernood dat de vloed over hen
heen sloeg.
Ook de zak met de heiligenkop verdween in de diepte der duisternis.

|